Glasnegatieven zijn kwetsbaarder dan welk ander fotografisch medium. Het glas zelf kan barsten, breken of splinteren bij de minste val, schok of temperatuurschommeling. De fotografische emulsie — een laag zilvergelatine aangebracht op het glasoppervlak — kan loskomen van het glas, scheuren of schilferen, vooral wanneer het glas vervormt door temperatuurschommelingen.
Glasnegatieven uit de 19e eeuw werden vaak gemaakt met instabiele chemische processen. Collodion "natte plaat" negatieven (1851-1880) hebben een fragiele emulsielaag die gevoelig is voor vocht en fysieke aanraking. Gelatine droge plaat negatieven (1878-1920+) zijn stabieler, maar de gelatinelaag kan krimpen en barsten in droge omstandigheden.
Schimmelgroei is een bijzonder probleem. De gelatinelaag is organisch materiaal en biedt een ideale voedingsbodem voor schimmels in vochtige omstandigheden. Eenmaal in de emulsie ingegroeid, is schimmel niet te verwijderen zonder het beeld te beschadigen.
Veel glasnegatieven zijn door de generaties heen bewaard in dozen zonder bescherming, gestapeld zonder tussenlagen. Krassen, vingerafdrukken en oppervlakteschade zijn veelvoorkomend. Elke beschadiging is permanent — er bestaat geen negatief waarvan een vervangend exemplaar kan worden gemaakt.