Kleurennegatieven lijden aan hetzelfde proces als kleurendia's: de drie kleurlagen — cyaan, magenta en geel — vervagen op verschillende snelheden. De cyaanlaag is het meest kwetsbaar en verdwijnt het eerst, wat bij negatieven een oranje-achtige overshift veroorzaakt. Na de digitale conversie resulteert dit in de kenmerkende vervaagde tinten die we kennen van oude familiefoto's.
De filmbasis zelf — meestal celluloseacetaat bij negatieven van na 1950 — lijdt aan azijnzuur-syndroom. De basis krimpt, vervormt en wordt broos. Bij negatieven is dit extra problematisch omdat zij vaak opgerold of in strips bewaard worden en vervorming het scannen bemoeilijkt.
Negatieven die in contact met PVC-hoesjes zijn bewaard, kunnen chemisch reageren met het PVC en permanente vlekken of verklevingen ontwikkelen. Negatieven in papieren hoesjes zijn veiliger, maar verzamelen stof en krassen. En negatieven die los in dozen of enveloppen zitten, zijn kwetsbaar voor vingerafdrukken, schimmel en fysieke schade.
Zwart-witnegatieven zijn over het algemeen stabieler, maar lijden aan zilverspiegeling (een metaalglans aan het oppervlak), vocht en mechanische slijtage. Glasplaatnegativen (19e en vroeg 20e eeuw) zijn fragiel en kunnen barsten.